Op vakantie

Alles wat mee moest, was ingepakt. Ik had oppas geregeld voor de kat, de planten en het huis. Maar wat te doen met de draak? Die heeft geen menselijke verzorger nodig. Toch kon ik hem niet zomaar thuislaten. Onze trouwe buren zouden niet weten wat ze overkwam.

Hij gaf me geen keus, hij ging mee.
Hoe, weet ik niet. Was er nog ergens een plekje in de volgepakte auto? Ik heb het niet gezien. In elk geval vandaag, hier in Drenthe, nee gisteravond eigenlijk al, ook hier in Drenthe, merkte ik dat hij er was. Er kwamen letters op papier. Letterlijk want ik had mijn laptop niet meegenomen. En ze maakten zin in zinnen over Ruach mijn draakje dat me helpen wil mijn droom te realiseren. Verhalenderwijs.

Die avond lag ik op bed en probeerde een berichtje te sturen aan mijn nichtje. Het lukte niet want in het huisje waar we verbleven, had de mobiele telefoon geen bereik. Ik vroeg aan Ruach, die boven mij in de lucht aan het koppeltjeduikelen was, of hij ook berichten kon overbrengen. Hij dook naar beneden en beet in mijn neus. Niet zo hard dat hij me verwondde, maar hard genoeg om me te laten voelen wat zijn antwoord was.
Weer wat geleerd. Een draak is geen veredelde postduif.

Nu zit ik op het terras voor ons vakantiehuisje. In het ven ertegenover worden drakenvliegen geboren. De Nederlandse vertaling van de Engelse naam voor libel is toch spannender dan de hier gebruikelijk gebezigde term. Past ook beter in dit verhaal. Op een rietstengel vlak boven het water zit een pas uitgekomen drakenvlieg, zijn achterste vleugels zitten nog vol kreukels.

Even verderop is een speeltuintje. De kinderen vermaken zich in het zand en op het luchtkussen. Ruach dartelt door de lucht boven hun hoofden, en soms tussen hen door. Hij moet wel oppassen dat ze hem niet raken, want de kinderen zijn een stuk groter en massiever dan hij. Ruach is wendbaar en flexibel, maar ik denk dat onder een mensenkind terechtkomen niet comfortabel voor hem zal zijn.

Advertenties

Doe iets

Ga eens wat doen. Je moet wat doen, straks gaat het mis. Straks gaat er iets fout en dan is het jouw schuld. Denk na, let op, hou het in de gaten, plan vooruit. Je moet iets doen, niet zomaar zitten zitten.
Mijn gedachten roepen, ze gunnen mij geen rust. Er zal iets moeten gebeuren, er is toch nooit niks te doen! Maakt niet uit in welke situatie, er is altijd werk aan de winkel.
Dus ik zit niet te zitten, ik zit te schrijven. Te staren naar het scherm, hopend op mooie woorden. Maar eigenlijk wil ik rust. Rust in mijn hoofd, rust in mijn lijf.
Als ik er even bij stil sta, komt een ander besef. Ik verlang juist naar energie. Energie om nergens tegenop te zien en onbekommerd uit te kijken naar wat er op mijn pad komt. Wat zich aandient accepteren zonder oordeel, en dan te voelen wat ik wil. Iets doen, of niets doen.

Tijdens het vorige Schrijfcafé schreef ik een woordgedicht over dit onderwerp. Het thema van de ochtend was ‘zomer’ en een van de woorden die daar bij hoort, is ‘buiten’. De beginletters van de regels vormen dat woord.

Binnen en buiten
Uit mijn hoofd
In het hier en nu
Tja en dan
En dan
Niks

Later die ochtend dook er nog een ‘elfje’ op over energie (een gedicht van elf woorden verdeeld over vijf regels volgens een vast patroon: 1, 2, 3, 4, 1).

Energie
Aan, uit
Hoe laad ik
mijn batterij weer vol
energie

Lol

Met draken kun je plezier maken. Neem nu mijn kleine draak Ruach. Hij tettert in mijn oor en trekt aan mijn haar. Nou ja, hìj heeft in elk geval lol.
Ik zal hem eens onder zijn kinnetje kriebelen. Dan gaan zijn oogjes rollen en vleugeltjes trillen.
Genieten.

Kleurenspel, woordenspel

Ik wilde dus gaan proberen te beschrijven hoe Ruach er uit ziet. Lastig, want hij zit nooit lang stil. En als hij gezellig op mijn hoofd of schouder zit, zie ik alleen glimpen. Meteen nu ik dit denk, gaat hij lopen paraderen op de tafel voor me. Nog even nonchalant een vleugeltje poetsend met zijn bek. Het blijkt dat hij meerdere kleurenschema’s heeft. Soms is hij iriserend donker blauw richting zwart, met vurige oranje randen aan zijn kaken, vleugels en staartmembranen. Ook de rugstekels steken af. Andere keren voelt hij zich comfortabeler in camouflagekleuren: bronsbruin metaalglanzend met mosgroene accenten. Hij kan ook goudgeel zijn met blauwe een aftekening, of fel groen met bordeauxrood. Je lijkt wel een kameleon, Ruach! Steeds veranderend van kleur en stemming.

Je lijkt wel op de binnenkant van mijn hoofd, altijd onrustig in beweging. Gevoelens, gedachten, beelden, associaties, oordelen en verwachtingen, er loopt zoveel door elkaar. Het is ook nog eens bomvol. Hoe krijg ik al die rommel er uit? Ruach wil wel helpen opruimen. Hij steekt zijn neus al in mijn oor. Nee sorry jongen, die ingang is te krap. Bovendien, je kunt al die gedachtenkronkels er niet zomaar uit trekken, de warboel is te groot. Een grote knoedel met vele losse eindjes. Straks maak je nog wat kapot. We zullen geduld moeten hebben tot de individuele draden vanzelf tevoorschijn komen. Tot het me lukt om ze te uiten. Bijvoorbeeld door er woorden voor te vinden.

Woorden als gekleurde kralen. Ze bubbelen op uit de diepten van mijn brein. Ze zweven als zeepbellen tussen mijn haren vandaan en glanzen met regenboogkleuren in het zonlicht. Of lamplicht. Nu snap ik waar ik een draak voor nodig heb. Hij vliegt op en schiet duikend en draaiend door de lucht om mijn hoofd. Hij vangt de woorden en legt ze in mijn handen. Met zijn klauwtjes en zijn bek. Voorzichtig en aandachtig. We rijgen ze aan een dunne draad. We ordenen ze spelenderwijs tot ze zinnig worden.

Mijn geest leeft op door het groeperen van letters. Woorden kunnen zo mooi zijn! Wat dacht je van onomatopee, herfststorm, chlorofyl? Woorden kunnen zoveel zeggen, en ook niets. Informeren, overdragen, uitbeelden, delen, vragen, geven, aantrekken of irriteren. Gevoelens opwekken of negeren. Wie weet woorden te waarderen?

De zinnen die we zinnig vinden, haken we aan elkaar. Zo krijgen we een bladzijde met kleurige volzinnen. Nog wat komma’s en punten voor de sier en witregels voor de rust en ruimte. Een paar steken laten vallen en we breien er een eind aan. Voor nu.

Beren op de weg

Ilya zet nog een stap en wat hij al verwachtte, gebeurt. Daar staan ze, levensgroot, de beren op de weg. Enorme dieren. Een meter of twee hoog, iets minder als ze op vier poten lopen. Staand op hun achterpoten zijn ze echter het effectiefst om mensen af te schrikken. Zo kunnen ze vervaarlijk zwaaien met hun voorpoten. Dus zo ziet hij ze voor zich. Met klauwen van tien centimeter lang doorsnijden ze de lucht. De lucht en zijn zelfvertrouwen.

Waarom is hij ooit dit pad op gelopen? Het is toch logisch dat die monsterlijke dieren hem tegen zullen houden. Op allerlei manieren. Door er voor te blijven staan, door te brullen dat hij het toch niet kan, door zijn plannen de grond in te boren. Door al zijn goede ideeën te jatten of door ze op te vreten. Door zijn uitzicht te blokkeren, door er gewoon maar te staan. Op die plek te blijven staan. Midden op de weg naar zijn toekomst. De moed zakt hem in zijn schoenen. Met hangend hoofd en hangende schouders staat hij daar. Op zijn pad. Het pad dat nu doodloopt. Waarom? Vanwege die stomme beren.

Wie heeft toch bedacht dat beren geschikt zijn als speelgoed? Zacht en knuffelbaar? Zouden diegenen wel eens geprobeerd hebben er een te aaien, een levende? Of überhaupt in de buurt te komen? Nee natuurlijk niet, dan waren ze zo een arm kwijt geweest. En zouden ze die verscheurende tanden hebben gezien en die gemeen loensende ogen? Om nog maar niet te spreken over de adem, ruikend naar rottend vlees en ander smerig afval. Door elk afschrikwekkend detail breed uit te meten, wordt Ilya’s probleem steeds groter. Tegenslag transformeert in LEVENSGEVAAR.

Zijn voeten over de grond slepend, draait hij zich langzaam om en sloft weg. Achter zich hoort hij de beren brullen. En hij begrijpt wat ze met hun grommende stemmen zeggen: “Daar gaat ie, en we hebben nog niet eens iets gedaan. We kunnen iemand tegen houden door alleen maar hier te staan.”
Ilya’s adem stokt. Hij staat bewegingsloos. Het is waar. Ze hebben niets gedaan. Hij heeft nog helemaal niets geprobeerd en hij geeft het al op. Zijn doel heeft hij uit het oog verloren. De tranen lopen over zijn wangen. Het wordt hem mistig voor zijn ogen.

Mist. Een witte, vochtige waas vult de lucht. Overal om hem heen. De wereld verdwijnt, hij ziet alleen nog maar wit.
“Nu durft die vent er zeker niet meer langs”, hoort hij de berenstemmen. Ze schreeuwen om het hardst, en staan te bulderen van het lachen. Hij ziet ze nu niet meer, maar hoort ze des te beter. Het geluid van de beren komt steeds van dezelfde plek. Hun gelach klinkt hem nu echter nogal gemaakt in de oren, met een ondertoon van paniek. Zijn ze zelf bang? Waarvoor dan? Niet voor hem, hij is klein en zwak. Niet voor de mist, die doet niemand wat. Zulke grote, sterke dieren zijn toch onbevreesd?

Ilya zet een stapje in de richting van de herrie. De reactie van de beren verandert niet, hun kreten en gebrul gaan alle kanten op, maar het voornamelijk in de richting van waar hij kwam. Ze weten waar hij is. Nee, zij kunnen ook niks zien… Ze weten dat hij daar wás. Hun stemmen klinken door de witte wereld, ze roepen ze tegen elkaar: “Ik hoor niks meer, hij is vast vertrokken. De slappeling, de bangerik.” Ongemerkt zet hij nog een stap dichterbij. Dan staat hij weer stil en luistert.
“Ik zie wat bewegen”, roept een beer. “Nee joh, dat is een tak”, snauwt een ander. “Of de wind”, gilt een derde. De richting van hun kreten verandert, het klinkt alsof ze rechts van hem iets denken te zien.

De angstige man doet voorzichtig een stap naar links, nog één, en dan weer een naar voren. De beren schelden op misflarden golvend in de wind, op takken die heen en weer zwaaien, op alles wat ze denken te zien. Zo stil mogelijk sluipt Ilya langzaam om hen heen, onder dekking van de mist. Mist die eigenlijk niets tegenhoudt, want het zijn zwevende waterdruppeltjes in de lucht. Maar die druppeltjes houdt de beren gevangen. Zoals de beren hem gevangen hielden, in angst. Angst voor wat hij zag. De beren zijn bang voor wat ze niet zien.
Dank zij het aanhoudende gebrul en gebral van de beren, kan hij zijn richting bepalen. Zo komt hij met een grote boog bij het vervolg van zijn weg aan. Daar kijkt hij achterom. De mist lost op, evenals de hysterische beren.

Vliegen

Ruach is al een paar weken bij me. Soms fladdert hij om me heen, soms zit hij op mijn hoofd of schouder. Als hij vliegt duikelt en tuimelt de kleine draak door de lucht. Hij daagt me uit om hem te volgen. Hij wil me laten zien hoe mooi het is om in beweging te komen. Oef. Ik houd niet zo van sporten. Maar de vrijheid van het vliegen lijkt me prachtig.
Elke woensdag gaan hij mee naar dansen, ook dan inspireert hij me. Als het past bij de opdrachten en de muziek, zijn mijn bewegingen gebaseerd op vliegen, zweven en verkennen. Soms op jagen en op je doel af duiken. Of gewoon lekker draaien en dollen, of waaien waar de wind gaat. Een van de andere danseressen zei, dat ik me zwevend zonder veel moeite door de zaal leek te bewegen. Ruach helpt me ontdekken dat het heerlijk is om vleugels te hebben.
I believe I can fly staat op een T-shirt dat ik heb, met de afbeelding van een pinguïn. Een pinguïn met vlindervleugels die durft te dromen. Durft te geloven dat hij kan vliegen. Een moeder op het schoolplein zag de tekst en vroeg me: “En kun je het?” “Soms wel”, antwoordde ik, “als ik mijn ogen dicht doe.”

Later als Ruach groot is, hoop ik mee te mogen vliegen op zijn rug. Met de wind door mijn haren, over het land dat er van boven af groener en ruimer uitziet dan vanaf de grond. Of nog hoger in de lucht, met de wolken onder mijn voeten, die er zo zacht uitzien. Een droomlandschap van watten dat nooit stil staat.
Frisse lucht en zonnestralen. Mijn geest klaart er van op.

Naam

Uit boeken weet ik dat je van sommige draken hun ware naam niet weten mag, omdat die je macht over hen zou geven. Dat soort magie, daar doe ik niet aan. Ik laat mijn draakje zijn vrije wil houden. Als ik het voor het zeggen heb tenminste. Ik weet echter niet of hij luistert.
Als ik het vrije en onafhankelijke (ja oké, ik heb het begrepen) draakje een naam mag geven, heet hij Ruach. Dat betekent Adem, Wind of Geest in het Hebreeuws. Dat lijkt me wel passend bij de inspiratie die hij voor mij betekent en de connectie met het ‘andere’, het spirituele, die ik bij hem voel.
Zelf vindt hij het wel stoer klinken.

Er is mij het een en ander bijgebleven uit mijn leesleven. Draken zijn sterk, ze hebben vaak een zekere wijsheid, hoewel ze heel anders tegen het bestaan aan kunnen kijken dan mensen. In verhalen kunnen ze gewelddadig en moordzuchtig zijn, geduchte vechters. Maar ook trouwe bondgenoten en wijze raadgevers als je eenmaal hun vriendschap hebt. Wat is Ruachs rol? Heb ik de hulp van een draak nodig om mijn pad te vervolgen?
“Misschien is hij je muze,” zei mijn vriendin, toen ik haar vertelde dat er een kleine draak in mijn leven was gekomen. Ze zou wel eens gelijk kunnen hebben. Hij heeft me al geïnspireerd om deze verhaaltjes te schrijven.

Tot nu toe is mijn kleine draak erg aanhankelijk en vrijgevig. Energiek, aanstekelijk, kort gezegd: vurig. Hij kijkt naar mij en mijn wereld met een frisse en open blik. Wellicht kan hij mij dingen anders laten zien, dan ik gewend ben. Hij wakkert in elk geval mijn nieuwsgierigheid aan. Ook helpt zijn aanwezigheid me mijn aandacht gericht te houden op wat ik het liefste wil doen. Schrijven. Daarbij geeft hij me ook meteen een onderwerp. Een ijdel onderwerp, want het liefst ziet hij natuurlijk dat ik schrijf over zijne drakerigheid zelf.

Drakenelfje

Tijdens het Schrijfcafé in januari schreef ik dit elfje, passend bij deze periode in het verhaal. (Een elfje is een gedicht bestaand uit elf woorden, verdeeld over 5 regels: op de eerste regel 1 woord, op de tweede 2, derde 3, vierde 4, en op de vijfde weer 1.)

Draakje
Hij vliegt
Om mijn hoofd
Fladdert snel en wild
Auw

Schat

Naar huis rijdend over de donkere dijk dacht ik: “Natuurlijk was het een drakenei!” In de vorige dansles bewoog ik ook braaf mee op de muziek. Het thema was hetzelfde, ‘je ei kwijt kunnen’, maar toen gebeurde er niets. Nu ineens was er wel een ei. En er kwam een draakje uit! Dat was een verrassing, en voelde toch vanzelfsprekend. Want een kuiken, dat past niet bij mij. Maar er was ook twijfel: kan dit wel waar zijn? Een draak is een mythologisch dier. Ik durfde bijna niet te geloven dat hij er echt was. Had ik nu gekregen waar ik naar op zoek was?

Ik was al een poosje op zoek. De laatste tijd voelde mijn leven vaak wat dof. Er zat vast meer in, maar het kwam er niet uit. Ik kon me herinneren wat passie en creativiteit waren, maar ze leken begraven onder een laag gestolde lava. Als kleurige, glimmende edelstenen onder de aardkorst verscholen. Nu is er een vliegend juweel aan het licht gekomen. Fonkelend en flitsend. Vurig en speels. Enthousiast en nieuwsgierig spoort hij me aan: kom op, wat gaan we voor leuks doen?

Ja, wat gaan we doen, wat gaan we beleven? Een verhaal leven. Er was eens … een bijzonder verbond. Een schrijfster en een jonge draak. Gaan we op ontdekkingstocht? Ja, het is een queeste! Samen gaan we op zoek. Naar een schat, of naar het beloofde land. Er is zoveel te ontdekken. Zien wat er is, voelen wat er kan, worden wie we zijn en doen wat we willen. Dat klinkt simpeler dan het is, zelfs met een draak, hier in Nederland in de eenentwintigste eeuw.

Vannacht sliep het draakje naast mijn kussen. Nu zit hij op mijn hoofd en maakt mijn haar in de war. Gekriebel in mijn haar, geknabbel aan mijn oor. Eh, wat eten draken eigenlijk?
Gelukkig hoef ik me daar geen zorgen over te maken, hij blijkt een nestvlieder. Hij is al aardig zelfstandig en haalt zijn energie ergens anders vandaan. Ik hoef niet voor hem te zorgen. Daar ben ik blij om want ik heb mijn handen al vol aan mijn eigen jongen(s).
Nieuwsgierig kijkt de jonge draak naar mijn beeldscherm. Zijn kop en lange nek hangen voor mijn ogen. Gelukkig kan ik blind typen. De letters zeggen hem niets. Ik leg uit dat ik probeer beelden te vangen in woorden. Maar woorden en beelden komen en gaan, soms net zo snel als een draak door de lucht kan schieten. Help me maar ze te vangen, kleintje, en neer te leggen op hun plek. Zodat we ons verhaal kunnen vertellen.

Hij kan al een beetje vliegen door de kamer. Het gaat met horten en stoten. Kleine stukjes, met af en toe een noodlanding. Gelukkig is ons huis een veilige plek waar niemand achter je aan zit. Leren vliegen is als leren lopen of schrijven. Steeds maar blijven oefenen om van de grond te komen. Stug doorzetten, en met verwoed gefladder ga je toch uiteindelijk definitief de lucht in. Na verloop van tijd hoef je er niet eens meer bij na te denken. Kun je weer iets anders zoeken om je hersens bezig te houden.
Bijvoorbeeld die zoektocht, daar kunnen we onze gedachten nu op richten. Wat zullen we zoeken? Geluk? Dat klinkt wat afgezaagd. Is ook wel erg groot en ongrijpbaar. Als een grote fantasiedraak zo groot als een huis. Heb je ooit al eens een draak op een flatgebouw zien zitten? Met glanzende groene schubben, schitterend in de ochtendzon, de vleugels uitgespreid als zonnepanelen. Bij gebrek aan echte bergen in Nederland, moeten ze daar wel gaan zitten. Dat maakt die gebouwen meteen wat spannender.

Mijn draakje is nog klein, gelukkig. Ik ben nog niet toe aan een grote. Hopelijk kunnen we stukje bij beetje samen groeien, dat is al spannend genoeg. Langzaam gaan we verder, stap voor stap zoals gebruikelijk. Op zoek naar onszelf. Wij zijn de schat en ons verhaal is de queeste.

Ei

De dag dat het draakje mijn leven binnen fladderde, was een hele gewone dag. De volgende ochtend stond ik weer gewoon op het schoolplein om mijn zoontjes weg te brengen. Maar er moet iets veranderd zijn. Je kunt toch niet zomaar een drakenei vinden, en doorgaan met je leven zoals je het gewend was.

Al jaren had dit moment zich aangekondigd, maar had ik dat door? Ik kwam steeds vaker draken tegen, eerst in boeken. Ook op schilderijen of als beeldjes waren ze te vinden. Decoratieve draken zagen er vaak agressief of gewelddadig uit. Die draken spraken me niet zo aan. Wel de draken die een band opbouwden met mensen. Machtige wezens met hun eigen waarden en normen. Maar als iemand de moeite deed om met hen te communiceren, kon het contact mooi en waardevol zijn. Dergelijke draken kwam ik gelukkig het meest tegen in de verhalen die ik las.
De laatste tijd zag ik echter overal draken, in sieraden, op kleding en zelfs in de IKEA. In bijna elke tekening die ik maakte, wurmde zich wel een draak naar binnen. Zo kwamen ze steeds weer en meer in beeld. Ik vroeg me af wat ze me wilden zeggen, maar ik kon ze niet verstaan. Vroeg me af waar een draak voor staat. In tradities en literatuur zijn daarop veel verschillende antwoorden te vinden. Maar wat betekent een draak voor mij? Wat komt een draakje doen in mijn leven?

Het gebeurde op een woensdagavond, bij biodanza. Het thema was ‘je ei kwijt kunnen’. In dans op zoek naar passie en creativiteit. Ineens had ik een drakenei in mijn handen. Er kwam al gauw een jong diertje uit, de vleugels nog vochtig, de nek onstabiel. Eerst zat hij in mijn handen. Even bijkomen en zien waar hij zich nu bevond. Een zaal met gedimd licht, waar mensen bewogen op muziek. Ze waren bij zichzelf op zoek naar hun ei.
Vanuit de kom van mijn handen probeerde hij of hij al kon lopen. Hij stapte eerst nog wat wiebelig over mijn armen, dus die hield ik tegen mijn buik. Dan had hij wat steun. Toen het lukte, liep hij heen en weer over mijn armen. Al snel vond hij de weg naar mijn schouder. Om van daar af de zaal te overzien en de mensen die daar door elkaar dansten.

Het draakje kon niet beslissen of hij op mijn linkerschouder of mijn rechterschouder wilde zitten. Hij besloot uiteindelijk bovenop mijn hoofd te klimmen. Ik voelde de kleine scherpe nageltjes prikken in mijn hoofdhuid. Hij moest zich een beetje vastgrijpen aan mijn haren, want het dansen ging gewoon door. Het voelt wat raar, zo’n klein wezentje op je hoofd. Maar zo we hielden elkaar beter in evenwicht, dan wanneer hij op een schouder zou zitten.
Tijdens de volgende dans wilde hij leren vliegen. Ik hield mijn handen voor me uit, zodat hij van de ene naar de andere kon springen. Zo oefende hij met zijn vleugels. Ik maakte de afstand steeds een beetje groter. Uiteindelijk stond ik met wijd gespreide armen te jongleren met een jonge draak.

Een paar dansen later gingen de mensen in een kring staan, hand in hand. Maar ik had mijn draakje nog in mijn handen. Dus zette ik hem eerst even voorzichtig aan de kant. Misschien keken er wat mensen raar op, want ze hadden hem niet gezien.
Hou echter een peuter of een jonge draak maar eens stil op een plek. Al gauw verliet hij de tafel waar ik hem had achtergelaten, om kleine stukjes te fladderen in de zaal.
Na de les kroop hij lekker warm tegen me aan onder mijn paarse winterjack. We fietsten samen door de koude wind naar huis. Hopelijk hebben meer mensen iets moois gevonden.