Vuur en water

Gedurende de hittegolf in de zomer van 2018 zitten wij op de Veluwe. Het heeft al weken nauwelijks geregend. Het gras is geel. Een deel van de bomen en struiken is al vervroegd in de herfst geraakt. De bladeren kleuren rood, geel of bruin. En als eindelijk een relatief verkoelend briesje opsteekt, dwarrelen ze naar beneden. Hier in het Hoenderlose bos. Roken en open vuur zijn streng verboden.
Wat moet je daarmee als draak? Kalm blijven en rustig ademhalen maar.

Het liefst zou Ruach roodgloeiend liggen bakken op de heide van Schenkenshul. Maar dan zou hij erg opvallen voor de halfgare toeristen die hier nog steeds rondfietsen of wandelen al is het boven de 30, of zelfs 35 graden. Stil zittend in de schaduw, kijk ik toe. Ik snap er niks van. Ruach wel. Hij houdt wel van gebak. Hij past zijn kleuren aan naar die van het verdorde veld, grasgeel, struikbruin, hier en daar een plukje groen en een paar paarse spikkeltjes, geïnspireerd door dapper bloeiende struikheide.
Als er even niemand is – heeft hij een mensenradar ofzo? – verschiet hij schielijk van kleur en laat zien hoe hij zich werkelijk voelt, vuurrood met gloeiend gele randen. Pas op dat je het veld niet in vuur en vlam zet, anders gaat het als een lopend vuurtje rond. Natuurbrand op de Veluwe, oorzaak onbekend; want de draak is dan natuurlijk al lang gevlogen.
Oei, nu kijkt hij me met verzengende blik aan. Zie ik zelfs rook uit zijn neusgaten komen? Nee, schudt hij verontwaardigd. Hij ziet er wel vurig uit, maar uiterlijk is hij koel. Voel maar. Oké. Mijn hand op zijn schubben geeft hem gelijk, niet warmer dan zijn omgeving. Best warm dus maar van spontane ontbranding zal geen sprake zijn.
Ik voel ineens een klein schokje door zijn lijf gaan. Wat is er? Zit je te lachen Ruach, of te huilen? Nee, schudt hij. Weer een schokje, hij spert zijn ogen open. Een klein rookwolkje ontsnapt nu toch aan zijn mondhoek. Oh oh, nu breekt het koude zweet mij uit. Wel verkoelend op een dag als deze, maar toch…
De hik. Een vuurspuwende draak met de hik op de kurkdroge hei. Wegwezen hier, Ruach! Hij slaat met zijn vleugels en krabbelt overeind. Een paniekerig geflapper zorgt dat stof en kleine stukjes uitgedroogd plantmateriaal de rookwolkjes camoufleren. Maar de tijdelijke onzichtbaarheid van het probleem, lost het niet op! In tegendeel, al die fragmentjes zijn licht ontvlambaar.
Vlieg op, vlieg op! Weg van deze potentiële brandhaard! Als een raket zonder vlammen aan de onderkant stijgt mijn draakje op. Explodeert hij de lucht in, kan ik beter zeggen. Paniekerig beschrijft hij rondjes in de blauwe lucht. Waarheen? Waarheen?
Houd je hoofd koel, Ruach, ventileer je brein! De hik hou je niet zomaar tegen. Die zorgt voor rare sprongetjes in de lucht. En kleine steekvlammetjes. Koel blauw lijkt me de kleur. De kleur van de zomerse, wolkenloze lucht. Meteen benadert hij de kleur zo goed, dat ik alleen bij de oncontroleerbare hikbewegingen een stukje hemel zie verspringen. Gevolgd door kleine vonkenregentjes in het zinderende blauw. Gelukkig doven die uit voor ze de grond raken, maar hoe lang gaat dit nog goed?

Aan de overkant van de weg is ons bungalowpark, bedenk ik. Het is gelegen in het droge bos, maar er is ook een vochtige plek. Het zwembad. Is dat wat? De hikjes en vonkjes schieten meteen de goede kant op. Ik ren achter zijn schaduw aan en trap wat smeulend gras uit.
Als ik bij het zwembad arriveer, ben ik de toegangscode vergeten en ik kan bij gebrek aan vleugels niet over het hek. Ruach wel. Dit zwembad heeft een dak dat open en dicht kan. Wegens het mooie weer staat het gelukkig open. Dat scheelt weer een ruit, evenals schrammen op de drakenhuid. In een hoek waar geen mensen zwemmen, zie ik het water even borrelen. Als ik beter kijk, zie ik een blauwe draak onder water met wervelende ogen.
Mensen die hun code niet vergeten zijn, openen de zwembaddeur. Ik glip achter ze aan naar binnen. Mijn badpak heb ik niet bij me, dus ik moet op de kant blijven. Hoe kalmeer ik de draak en krijg ik hem uit het water voor iemand tegen hem op zwemt? Het is nog niet zo druk, maar een van de net gearriveerde mensen lijkt baantjes te willen gaan zwemmen in dit gedeelte van het bad. Logisch, want het lijkt leeg.
Weet je wat? Ik zal het goede voorbeeld geven. Ik sleep een ligstoel naar de rand van het bad, waar Ruach me goed kan zien. Ik neem opzichtig plaats om de gaan zonnen. Dat doe ik anders nooit hoor, maar dat weten de mensen hier niet.
Een blik in het water toont me zijn nog steeds tollende ogen die strak op me gericht zijn. Weer ontsnapt een serie rokerige bellen. Met gespeelde rust leg ik mijn hoofd achterover en sluit mijn ogen. De zon brandt op mijn huid en de binnenkant van mijn oogleden is oranjegeel. Nu voelt het nog wel lekker die warmte, maar dat zal niet lang duren. Hopelijk duurt dit niet zo lang.
Ik hoor weer wat gebubbel. En een zacht geklots. Ik kijk door een klein spleetje tussen mijn oogleden en zie een zwemmer in mijn ooghoek. Hij komt steeds dichter en dichter bij en dan raakt hij de kant in Ruachs hoek. Is hij nou door de draak heen gezwommen? Is het wezen dan toch een verdichtsel van mijn verbeelding, een hersenspinsel? Of heb ik een nieuwe eigenschap van mijn fantastische vriend ontdekt? Kan hij naast van kleur ook al van substantie veranderen?
Langzaam draai ik mijn hoofd en voorzichtig open ik mijn ogen iets verder. Nabij het voeteneind van het ligbed, bolt het water omhoog. En er steken een paar stekels uit. Terwijl de zwemmer vertrekt naar de overkant, verschijnen vlak langs de rand van het zwembad steeds meer stekels boven het water, dan sluipt er een puntje van de staart over de rand. Stukje bij beetje gevolgd door de glinsterende lengte. Dan zie ik een achterklauw om de rand slaan.
Ik ontspan mijn door de schrik verkrampte beenspieren en voel dat ook mijn schouders verstijfd zijn. Adem in door mijn neus en zachtjes uit door mijn mond. Doe net of er niets aan de hand is en sluit mijn ogen. Als ik niets zie, ziet misschien niemand iets.
Ik hoor alleen een zacht geschuifel. Dan een natte schubbige wang tegen de hand die semi-ontspannen naast mijn lichaam ligt. Nog een klein schokje en een zuchtje en dan is het stil. Ik kijk stiekem. Stil en blauw ligt hij grotendeels onder mijn ligbed nu. “Grondkleur,” fluister ik. Hij snapt mijn bedoeling en neemt de kleuren van de grindtegels aan, inclusief schaduwplek. Hier ligt hij voorlopig veilig en de tegels zijn niet brandbaar. Maar de hik komt niet meer terug. Dan hoor ik zijn ademhaling vertragen, hij valt in slaap.
Ik blijf bij hem, maar helaas valt er op mij geen schaduw. Ik vrees dat ik ook van kleur zal veranderen. Vanavond ben ik rood.

Advertenties

Drakenfamilie

Een tijdje geleden realiseerde ik me, dat meer mensen in mijn familie iets hebben met draken. Mijn broer heeft een wc vol draken. Daar mag je je zelf een voorstelling van maken. Ik kreeg Ruach in mijn leven, met wie ik allerlei avonturen mag beleven.
Mijn ouders hebben ook een draakje bij hen inwonen. Deze heeft geen vleugels. Het is een bebaarde draak. Toen ze hem kregen, was hij zwaar verwaarloosd. Hij zat onder de bloedzuigende parasieten, hij had het koud en was verzwakt. Zijn vorige verzorger had niet goed op hem gepast.
Mijn vader en moeder gaven hem goed eten, een mooi nieuw huis, met verwarming, en de allerbeste zorg. Het duurde weken, nee maanden om hem weer op te lappen en alle kleine bloedmijten kwijt te raken. Ze investeerden in hun kleine draak en overlaadden hem met aandacht en zorg.
BeessieDe vleugelloze draak, met de koosnaam Beessie, is helemaal opgebloeid. Hij groeide, is verveld en zijn huid laat nu een prachtig, helder kleurenpatroon zien. Hij luistert als zijn mensen praten, en knippert als antwoord met zijn ogen. Soms rent hij door hun woonkamer. In zijn eigen huis klimt en graaft hij. Neemt een zonnebad of een zandbad. Af en toe zelfs baddert hij in het water.
Deze kleine draak zal nooit vliegen. Maar hij heeft een thuis gevonden waar mensen genieten van zijn gezelschap en waar hij mag blijven zo lang hij wil. Zijn mensen koesteren hem, zoals wij, de kinderen, weten dat ze heel goed kunnen. Hun voorbeeld navolgend, hebben wij allemaal een liefdevol thuis gecreëerd. Zou dat het zijn waar al die draken op af komen?
Draken verzamelen graag schatten.

Rust in de tent

(Komt na Op vakantie)

Wat een rust. Ik zit weer voor het Drentse vakantiehuisje. In de schaduw van een Amerikaanse eik op een mooie zonnige ochtend. De rest van de familie is naar het zwembad. Zitten en niks hoeven, vreemd is dat. Onwennig. Is er echt niets dat ik moet doen? Geen enkel klusje?
In tegenstelling tot zijn schrijfster, ligt Ruach in de volle zon. Op de warmste plek die hij kan vinden. Je bent een draak of je bent een draak. Hij ligt zo lang mogelijk uitgestrekt, met zijn vleugels wijd uitgespreid. Zijn ogen zijn gesloten en hij doet niets. Niets, zou ik dat ook kunnen? Ik zit te schrijven.
Vrije tijd vullen met niets. Het is heel ongebruikelijk, bijna onmogelijk in de wereld waarin ik leef. Ik kan haast niet stoppen. Kan ik stoppen?
Ik blijf het proberen.

wit

Kijk, niets hoeft. Leegte mag, hoeft niet gevuld te worden.

Twee dagen later gaat het makkelijker. Plantjes aanstaren, vogels horen, mensen opmerken zonder me te laten storen. Gras herontdekken. Luisteren naar de stilte. Geen draak te zien jammer genoeg. Wel een drakenvlieg, boven me in de lucht.
’s Avonds koelt het weer af, na de hitte van de dag. Ruach is terug en op het voeteneinde van mijn vakantiebed krult hij zich op. Ik weet niet waar hij is geweest, maar het was blijkbaar geen middag om te schrijven, dus had ik hem niet nodig. Het was een middag om niks te doen. En ik heb me geen moment verveeld.

Heen en weer

18 jaar geleden zat ik op een boot. Mijn geliefde kocht die avond een schrijfblok voor mij. Waar ik nu dit stukje in schrijf. Ik zag de datum net, op de bon, die er nog in zit. De rest van ons Engelse geld wisselden we daarna terug om voor guldens. Meer herinner ik me niet van de terugreis op de veerboot.
Van de heenreis naar Harwich weet ik nog wel meer, net als van de heenreis naar Orkney. De heenreizen naar Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog, daar heb ik allemaal nog beelden van. De boottochten terug zijn verdwenen uit mijn geheugen. Ik weet niet waarom.
Maar die bon bewijst het, en het feit dat ik hier nu zit. Ik ben terug gekomen.

The guardian of the rhubarb

De Nederlandse vertaling van deze tekst staat in een reactie eronder.

I have a special plant in my garden. It is a red stemmed rhubarb. It doesn’t get much sunlight and the neighbour’s big conifers are depleting it of water. Therefore, it isn’t as big and sprawling as it could be. Unfortunately, our garden is a bit small, so it cannot be moved to a better spot.
Some of its cousins reside in the front garden. They get sun, but they are rooted in sandy soil, so the much needed water dissipiates fast. Also, the hornbeams that edge the premises are competing with them for moisture. Moreover these little plants are besieged by thousands of black aphids. The aphids are thriving, protected by the ants from a nest close by. Especially in spring, the undersides of the poor rhubarb leaves are almost totally covered in black. They become misshapen and never become as large as rhubarb leaves should.
This year the aphids seem to have spread to the back garden as well. So also back there the rhubarb leaves shrivel and turn red before their time. Still my brave rhubarb plants continue. The leaves and stems die every autumn. But in spring they are among the first to explode out of the ground again. Maybe that is why the aphids love them so much. It is their first available source of food. I love the appearance of those new leaves, growing visibly every day, telling me that winter is coming to an end.
But these are not the main reasons why these plants are special. They are special because of ancestry. Theirs and mine. And our ancestries are intertwined. The first rhubarb plant that came to inhabit our small city garden, came from a vegetable garden in Drenthe. Where it came from, there was space, water and sunshine, and the plant and its fellows were huge and many. It was well cared for and got regular doses of home made compost. It was one of my grandparents plants, from my grandparents’ big garden.
When we bought our own house in Dordrecht, with our own little garden, I longed for a rhubarb plant of our own. We asked and of course we could have one. It was in February, so it was before the plants would wake up for spring. No leaves were visible yet, only small brown mounds. But my grandfather knew his plants. He told us exactly where to dig and which plant to take. Those are the red stemmed variety, they taste best. So my husband and my father dug, and we took home some clumps. We buried them in our Dordrecht clay.
A few weeks later we buried my grandfather.
This rhubarb had been his final gift.
We were so happy when the leaves appeared in spring. The plant thrived the first years and had many offspring. We spread them in our garden and throughout the country to the gardens of friends and relatives.
The environmental circumstances have deteriorated since for these special plants, as described above. They are not as big and flourishing as they used to be. But still they continue. I am not sure how much of the first trans-plant still survives. Genetically speaking though, it is still there. I care for it and its offspring to the best of my abilities, feeling a bit guilty about their dire circumstances. Still I can harvest their stems for a few meals a year.
I thought as I set out, this story was going to be about my grandfathers rhubarb and a red and green dragon, a rhubarb garbed garden guardian. But it turned out to be about me. The guardian of the rhubarb.

Op vakantie

Alles wat mee moest, was ingepakt. Ik had oppas geregeld voor de kat, de planten en het huis. Maar wat te doen met de draak? Die heeft geen menselijke verzorger nodig. Toch kon ik hem niet zomaar thuislaten. Onze trouwe buren zouden niet weten wat ze overkwam.

Hij gaf me geen keus, hij ging mee.
Hoe, weet ik niet. Was er nog ergens een plekje in de volgepakte auto? Ik heb het niet gezien. In elk geval vandaag, hier in Drenthe, nee gisteravond eigenlijk al, ook hier in Drenthe, merkte ik dat hij er was. Er kwamen letters op papier. Letterlijk want ik had mijn laptop niet meegenomen. En ze maakten zin in zinnen over Ruach mijn draakje dat me helpen wil mijn droom te realiseren. Verhalenderwijs.

Die avond lag ik op bed en probeerde een berichtje te sturen aan mijn nichtje. Het lukte niet want in het huisje waar we verbleven, had de mobiele telefoon geen bereik. Ik vroeg aan Ruach, die boven mij in de lucht aan het koppeltjeduikelen was, of hij ook berichten kon overbrengen. Hij dook naar beneden en beet in mijn neus. Niet zo hard dat hij me verwondde, maar hard genoeg om me te laten voelen wat zijn antwoord was.
Weer wat geleerd. Een draak is geen veredelde postduif.

Nu zit ik op het terras voor ons vakantiehuisje. In het ven ertegenover worden drakenvliegen geboren. De Nederlandse vertaling van de Engelse naam voor libel is toch spannender dan de hier gebruikelijk gebezigde term. Past ook beter in dit verhaal. Op een rietstengel vlak boven het water zit een pas uitgekomen drakenvlieg, zijn achterste vleugels zitten nog vol kreukels.

Even verderop is een speeltuintje. De kinderen vermaken zich in het zand en op het luchtkussen. Ruach dartelt door de lucht boven hun hoofden, en soms tussen hen door. Hij moet wel oppassen dat ze hem niet raken, want de kinderen zijn een stuk groter en massiever dan hij. Ruach is wendbaar en flexibel, maar ik denk dat onder een mensenkind terechtkomen niet comfortabel voor hem zal zijn.

Doe iets

Ga eens wat doen. Je moet wat doen, straks gaat het mis. Straks gaat er iets fout en dan is het jouw schuld. Denk na, let op, hou het in de gaten, plan vooruit. Je moet iets doen, niet zomaar zitten zitten.
Mijn gedachten roepen, ze gunnen mij geen rust. Er zal iets moeten gebeuren, er is toch nooit niks te doen! Maakt niet uit in welke situatie, er is altijd werk aan de winkel.
Dus ik zit niet te zitten, ik zit te schrijven. Te staren naar het scherm, hopend op mooie woorden. Maar eigenlijk wil ik rust. Rust in mijn hoofd, rust in mijn lijf.
Als ik er even bij stil sta, komt een ander besef. Ik verlang juist naar energie. Energie om nergens tegenop te zien en onbekommerd uit te kijken naar wat er op mijn pad komt. Wat zich aandient accepteren zonder oordeel, en dan te voelen wat ik wil. Iets doen, of niets doen.

Tijdens het vorige Schrijfcafé schreef ik een woordgedicht over dit onderwerp. Het thema van de ochtend was ‘zomer’ en een van de woorden die daar bij hoort, is ‘buiten’. De beginletters van de regels vormen dat woord.

Binnen en buiten
Uit mijn hoofd
In het hier en nu
Tja en dan
En dan
Niks

Later die ochtend dook er nog een ‘elfje’ op over energie (een gedicht van elf woorden verdeeld over vijf regels volgens een vast patroon: 1, 2, 3, 4, 1).

Energie
Aan, uit
Hoe laad ik
mijn batterij weer vol
energie

Lol

Met draken kun je plezier maken. Neem nu mijn kleine draak Ruach. Hij tettert in mijn oor en trekt aan mijn haar. Nou ja, hìj heeft in elk geval lol.
Ik zal hem eens onder zijn kinnetje kriebelen. Dan gaan zijn oogjes rollen en vleugeltjes trillen.
Genieten.

Kleurenspel, woordenspel

Ik wilde dus gaan proberen te beschrijven hoe Ruach er uit ziet. Lastig, want hij zit nooit lang stil. En als hij gezellig op mijn hoofd of schouder zit, zie ik alleen glimpen. Meteen nu ik dit denk, gaat hij lopen paraderen op de tafel voor me. Nog even nonchalant een vleugeltje poetsend met zijn bek. Het blijkt dat hij meerdere kleurenschema’s heeft. Soms is hij iriserend donker blauw richting zwart, met vurige oranje randen aan zijn kaken, vleugels en staartmembranen. Ook de rugstekels steken af. Andere keren voelt hij zich comfortabeler in camouflagekleuren: bronsbruin metaalglanzend met mosgroene accenten. Hij kan ook goudgeel zijn met blauwe een aftekening, of fel groen met bordeauxrood. Je lijkt wel een kameleon, Ruach! Steeds veranderend van kleur en stemming.

Je lijkt wel op de binnenkant van mijn hoofd, altijd onrustig in beweging. Gevoelens, gedachten, beelden, associaties, oordelen en verwachtingen, er loopt zoveel door elkaar. Het is ook nog eens bomvol. Hoe krijg ik al die rommel er uit? Ruach wil wel helpen opruimen. Hij steekt zijn neus al in mijn oor. Nee sorry jongen, die ingang is te krap. Bovendien, je kunt al die gedachtenkronkels er niet zomaar uit trekken, de warboel is te groot. Een grote knoedel met vele losse eindjes. Straks maak je nog wat kapot. We zullen geduld moeten hebben tot de individuele draden vanzelf tevoorschijn komen. Tot het me lukt om ze te uiten. Bijvoorbeeld door er woorden voor te vinden.

Woorden als gekleurde kralen. Ze bubbelen op uit de diepten van mijn brein. Ze zweven als zeepbellen tussen mijn haren vandaan en glanzen met regenboogkleuren in het zonlicht. Of lamplicht. Nu snap ik waar ik een draak voor nodig heb. Hij vliegt op en schiet duikend en draaiend door de lucht om mijn hoofd. Hij vangt de woorden en legt ze in mijn handen. Met zijn klauwtjes en zijn bek. Voorzichtig en aandachtig. We rijgen ze aan een dunne draad. We ordenen ze spelenderwijs tot ze zinnig worden.

Mijn geest leeft op door het groeperen van letters. Woorden kunnen zo mooi zijn! Wat dacht je van onomatopee, herfststorm, chlorofyl? Woorden kunnen zoveel zeggen, en ook niets. Informeren, overdragen, uitbeelden, delen, vragen, geven, aantrekken of irriteren. Gevoelens opwekken of negeren. Wie weet woorden te waarderen?

De zinnen die we zinnig vinden, haken we aan elkaar. Zo krijgen we een bladzijde met kleurige volzinnen. Nog wat komma’s en punten voor de sier en witregels voor de rust en ruimte. Een paar steken laten vallen en we breien er een eind aan. Voor nu.

Beren op de weg

Ilya zet nog een stap en wat hij al verwachtte, gebeurt. Daar staan ze, levensgroot, de beren op de weg. Enorme dieren. Een meter of twee hoog, iets minder als ze op vier poten lopen. Staand op hun achterpoten zijn ze echter het effectiefst om mensen af te schrikken. Zo kunnen ze vervaarlijk zwaaien met hun voorpoten. Dus zo ziet hij ze voor zich. Met klauwen van tien centimeter lang doorsnijden ze de lucht. De lucht en zijn zelfvertrouwen.

Waarom is hij ooit dit pad op gelopen? Het is toch logisch dat die monsterlijke dieren hem tegen zullen houden. Op allerlei manieren. Door er voor te blijven staan, door te brullen dat hij het toch niet kan, door zijn plannen de grond in te boren. Door al zijn goede ideeën te jatten of door ze op te vreten. Door zijn uitzicht te blokkeren, door er gewoon maar te staan. Op die plek te blijven staan. Midden op de weg naar zijn toekomst. De moed zakt hem in zijn schoenen. Met hangend hoofd en hangende schouders staat hij daar. Op zijn pad. Het pad dat nu doodloopt. Waarom? Vanwege die stomme beren.

Wie heeft toch bedacht dat beren geschikt zijn als speelgoed? Zacht en knuffelbaar? Zouden diegenen wel eens geprobeerd hebben er een te aaien, een levende? Of überhaupt in de buurt te komen? Nee natuurlijk niet, dan waren ze zo een arm kwijt geweest. En zouden ze die verscheurende tanden hebben gezien en die gemeen loensende ogen? Om nog maar niet te spreken over de adem, ruikend naar rottend vlees en ander smerig afval. Door elk afschrikwekkend detail breed uit te meten, wordt Ilya’s probleem steeds groter. Tegenslag transformeert in LEVENSGEVAAR.

Zijn voeten over de grond slepend, draait hij zich langzaam om en sloft weg. Achter zich hoort hij de beren brullen. En hij begrijpt wat ze met hun grommende stemmen zeggen: “Daar gaat ie, en we hebben nog niet eens iets gedaan. We kunnen iemand tegen houden door alleen maar hier te staan.”
Ilya’s adem stokt. Hij staat bewegingsloos. Het is waar. Ze hebben niets gedaan. Hij heeft nog helemaal niets geprobeerd en hij geeft het al op. Zijn doel heeft hij uit het oog verloren. De tranen lopen over zijn wangen. Het wordt hem mistig voor zijn ogen.

Mist. Een witte, vochtige waas vult de lucht. Overal om hem heen. De wereld verdwijnt, hij ziet alleen nog maar wit.
“Nu durft die vent er zeker niet meer langs”, hoort hij de berenstemmen. Ze schreeuwen om het hardst, en staan te bulderen van het lachen. Hij ziet ze nu niet meer, maar hoort ze des te beter. Het geluid van de beren komt steeds van dezelfde plek. Hun gelach klinkt hem nu echter nogal gemaakt in de oren, met een ondertoon van paniek. Zijn ze zelf bang? Waarvoor dan? Niet voor hem, hij is klein en zwak. Niet voor de mist, die doet niemand wat. Zulke grote, sterke dieren zijn toch onbevreesd?

Ilya zet een stapje in de richting van de herrie. De reactie van de beren verandert niet, hun kreten en gebrul gaan alle kanten op, maar het voornamelijk in de richting van waar hij kwam. Ze weten waar hij is. Nee, zij kunnen ook niks zien… Ze weten dat hij daar wás. Hun stemmen klinken door de witte wereld, ze roepen ze tegen elkaar: “Ik hoor niks meer, hij is vast vertrokken. De slappeling, de bangerik.” Ongemerkt zet hij nog een stap dichterbij. Dan staat hij weer stil en luistert.
“Ik zie wat bewegen”, roept een beer. “Nee joh, dat is een tak”, snauwt een ander. “Of de wind”, gilt een derde. De richting van hun kreten verandert, het klinkt alsof ze rechts van hem iets denken te zien.

De angstige man doet voorzichtig een stap naar links, nog één, en dan weer een naar voren. De beren schelden op misflarden golvend in de wind, op takken die heen en weer zwaaien, op alles wat ze denken te zien. Zo stil mogelijk sluipt Ilya langzaam om hen heen, onder dekking van de mist. Mist die eigenlijk niets tegenhoudt, want het zijn zwevende waterdruppeltjes in de lucht. Maar die druppeltjes houdt de beren gevangen. Zoals de beren hem gevangen hielden, in angst. Angst voor wat hij zag. De beren zijn bang voor wat ze niet zien.
Dank zij het aanhoudende gebrul en gebral van de beren, kan hij zijn richting bepalen. Zo komt hij met een grote boog bij het vervolg van zijn weg aan. Daar kijkt hij achterom. De mist lost op, evenals de hysterische beren.