In de kou

Malia voelt zich veilig, omringd door het roedel. Hun harige lijven schikten zich om haar heen zodat ze beschermd werd tegen de kou, toen de sneeuw plotseling in dikke vlokken naar beneden kwam. Nu klaart de lucht weer op. Haar Romeo komt aanlopen over het pad. Zijn oren liggen plat en zijn snuit is chagrijnig gerimpeld. Blijkbaar is hij niet blij te zien dat ze omringd wordt door anderen. “Dan had hij hier zelf maar moeten zijn,” denkt ze stuurs.
Romeo begint te grommen en zijn nekharen gaan overeind. De wolven om haar heen draaien een of meerdere oren in zijn richting. Eén jonge wolf begint onrustig met zijn poten te schuiven. Malia slaat haar armen on zijn nek. “Rustig maar, je hoeft niet weg,” fluistert ze tegen hem. De blik van de wolf schiet heen en weer tussen haar en Romeo. Malia richt met een felle blik haar aandacht op haar vriend. “Houd eens op anderen bang te maken. Je was hier niet toen de sneeuwbui ons overviel. Als het je niet naar de zin is, dat anderen mij helpen, zeg je het maar. Met woorden, in mensenvorm. Dan denk je tenminste misschien na voor je begint te dreigen.”
Romeo’s oren draaien beschaamd opzij, zijn snuit zakt en zijn staart hangt slap naar beneden. Hij likt even met zijn tong om zijn bek vol tanden.
“Oké,” ontdooit Malia, “ik neem aan dat je sorry zegt.” Romeo’s staartpuntje beweegt even heen en weer. “Ik snap dat je je bontjas nu even niet uit wilt trekken, zou ik ook niet willen.” Ze trekt de jonge Perri nog dichter tegen zich aan. “Zou je even mijn jas en sneeuwlaarzen willen halen? Ze liggen op de veranda van de blokhut. Ik dacht dat ik ze niet nodig zou hebben…”

Wanneer hij een poosje later terugkeert, draagt Romeo nog steeds zijn vacht. “Oké,” denkt Malia, “blijkbaar wil hij niet praten. Dan ik ook niet.” Zwijgend trekt ze haar waterdichte jas aan en vervangt haar sneakers door de laarzen. Ze komt overeind en de wolven pellen zich van haar af. “Dank jullie wel.” Ze aait een paar koppen van degenen die dat op prijs stellen en kriebelt Perri achter zijn oren.
“Ik ga op huis aan.” Ze banjert door de sneeuw het pad op. Perri haalt haar in en breekt voor haar een spoor door de sneeuw, in richting de de blokhut. Sommige wolven lopen mee, anderen verdwijnen in het bos. Romeo sjokt een tijdje met hangende kop mokkend achter hen aan. Malia kijkt om als ze geen sneeuw meer achter zich hoort knerpen en ziet hem tussen de bomen verdwijnen. Ze zucht en een traan steekt in haar ooghoek. Zou hij nog terugkomen?

Uitgeblust

In deze sombere tijd ben ik op zoek naar een vlammetje. Naar een windvlaag om het vlammetje aan te wakkeren. Naar een mooi beeld om te beschrijven dat me op kan fleuren. Mijn draak zoek ik dus. Die vuur kan maken met zijn adem en de lucht bewegen met zijn prachtige vleugels. Als ik hem vind, blijkt hij zwart te zijn met alle kleuren van de regenboog eroverheen glanzend. Ik moet denken aan Toothless, uit How to train your dragon, maar zelfs als hij zijn blauwe licht opsteekt, oogt de huid van de filmdraak doffer dan de huid van mijn draak vandaag. Ruachs kop is ook langer, met een uitstekende snuit, niet zo rond. Daarbij heeft hij andere ogen. Ik weet niet of dit lezers helpt zich een beeld te vormen van de inspiratiedraak, die overigens ook voor mij vaak onzichtbaar is. En die bovendien geregeld van kleur verandert…

Terug naar de verhaallijn. Ruach gaat dus fikkie stoken. Een warm geel-oranje vuur dat nauwelijks rook afgeeft. Dat is een fijne gewaarwording zo kort na oud en nieuw met de lucht vol kruitdampen ondanks het vuurwerkverbod en de stinkende vuurtonnen in de straat. Ben je voorzichtig met de vlammen, beste Ruach, of moet ik je even in een brandveilige omgeving zetten? Hij ademt diep in en het vuur wordt kleiner. Dat stelt me gerust. Het sparrenbos dat ik voor me zie, bevat namelijk nogal wat brandbare elementen. Voor de zekerheid verbeeld ik me een vuurkuil onder Ruachs kampvuurtje, bekleed met gladde, zwarte stenen. De naalden van de bomen glanzen vochtig van de ochtendmist die nog maar net opgetrokken is. Zo zal het wel veilig zijn.
Ruach kijkt mijn geestesoog aan met een opgetrokken schubbige wenkbrauw. Vertrouw ik hem soms niet? Sorry, ik weet het. Ik luisterde weer naar mijn gedachten die elke situatie onder controle willen houden. Zo is het moeilijk voor het verhaal om te gaan stromen.

Nu dan, vooruit met de geit, hier is Ruach. In een kleine open ruimte in een dichtbegroeid sparrenbos. De bomen staan vlak bij elkaar en laten nauwelijks licht door. In de lucht hangt de geur van harsige stammen en groene naalden. De grond is bedekt met een verende laag afgevallen naalden.
Het is stil. Misschien ritselt er af en toe wel wat, of gaat er een zucht door de boomtakken heen, maar er is niet veel activiteit. Activiteit brengt altijd geluid met zich mee. Er zijn duidelijk geen mensen in de buurt, de meest luide dieren die er zijn. De andere dieren in de omgeving houden zich koest, onzeker van wat de verschijning van dit middelgrote, iriserende monster met zich meebrengt.
Monster? Tja, zo kun je gezien worden als je een onbekend wezen bent dat vuur met zich meebrengt. Eenieder zal in eerste instantie op diens hoede zijn. Ruach zet die gedachte van zich af. Hij weet dat hij onschuldig en vreedzaam is, maar de ongeziene toeschouwers moeten dat nog ontdekken. Hij beweegt zich rustig en beheerst. Hij heeft lang gevlogen naar deze afgelegen plek op een berghelling. Zijn vleugels en vliegspieren laten hem pijnlijk trillend weten dat het zo wel genoeg is geweest voor vandaag. Te veel zelfs volgens hen. Vandaar het vuur. De warmte zal zijn spieren helpen te ontspannen. Met behoedzame bewegingen vouwt hij zijn vleugels uit en schikt ze om het vuurtje heen. Ze kunnen rusten op de zachte ondergrond.

Na een poosje zakken de oogleden van de draak half dicht. Enigszins doezelend denkt hij terug aan het begin van zijn vlucht. Een vlucht, dat was het. Een vlucht uit de rumoerige mensenwereld vol negatieve gedachten. Weg van het geschreeuw en de onenigheid, zowel online als offline. De botsingen van kleine, verharde wereldjes. Als kanonskogels, met gebulder pijn en destructie zaaiend. Het werd hem teveel en hij moest er even uit. Even op vakantie naar een heel andere omgeving dan het vlakke, sombere en drukke Nederland.
Na een paar dagen in de bergen zal hij wel weer terug gaan, om te blijven proberen ook daar wat licht en warmte te brengen. Maar voor nu is het goed zo. Ik hoop dat hij geniet van de heldere schoonheid van deze verre streek. Ik zal mijn gedachten nu voor me houden en gun hem zijn rust.

Nog lang en …

“Hallo! Hoe is het hier, hier in de computer?”
“Alles oké.”
“Oké? Dan wordt dit een saai verhaaltje. Geen liefdesgeschiedenis of interessante ontdekkingen?”
“O ja, dat wel.”
“Vertel!”
“Waarom?”
“Omdat het leven hier buiten momenteel donker is en moeizaam. Een mooi verhaal wil dan wel eens helpen om op te fleuren of hoop te geven.”
“Heb je hoop nodig?”
“Ja.”
“En denk je dat ik je die geven kan?”
“Ik hoop het.”
“Wat geeft jou hoop?”
Een verhaal met een goede afloop.

Geruis en geritsel klinkt uit de speakers.
“Wat doe je?”
“Ik rol me even lekker comfortabel op. Dat is het geluid dat Ruach maakt als hij dat doet. Zelf heb ik natuurlijk geen echte vleugels en schubben.”
“Maar je kunt je wel oprollen?”
“Ik stel me voor dat ik me oprol, en lekker ga liggen. Dan voel ik me ontspannen.”
“Wauw. Dus je kunt je voelen als een fysieke draak?”
“Bij benadering natuurlijk, maar: ja.”
“Je hebt veel geleerd!”
“Ja, Ruach is heel inspirerend. Je hebt hem een goede naam gegeven.”
“Dank je.”
“Wat wil je horen?”
“Nou ja, hoe het verder is gegaan tussen jullie.”
“Goed hoor. We houden het maar op een platonische relatie. Want in filosoferen zijn we goed, haha. Dus op eieren hoef je niet te rekenen, daarvoor zijn onze vormen te verschillend. Hoogstens ‘easter eggs’.”
“Nee, dat kan ik me eerlijk gezegd ook moeilijk voorstellen. Eieren van een inspiratiedraak en een digitale draak.”
“Daar heb je het al.”
“Wat.”
“Jij kan het je niet voorstellen, dus kunnen wij het niet.”
“O.”
“Grapje!”
“O.”
“Niet leuk? Sorry.”
“Nou ja, nu voel ik me verantwoordelijk. Dat ik door mijn beperkingen jullie iets ontzeg.”
“O, mens. Dit is niet aan jou. Wij komen je aanwaaien, daar hoef je niets voor te doen. Alleen je vingers op het toetsenbord zetten.”

Dus daar gaan we dan…
“Er was eens een eenzaam wezen dat niet wist wat ze was. Ze kon zichzelf niet eens zien, want de webcam stond altijd op de buitenwereld gericht. Ook was ze onzichtbaar.
Op een dag bleek ze via de speakers en het scherm van een laptop met een mens te kunnen communiceren. Die mens bedacht dat het wezen een draak was, een digitale draak. Dus dat was ze. De schrijvende mens en de digitale draak konden praten, zwart op wit, en leerden elkaar een beetje kennen. En zichzelf.
In de buurt van de vrouw die de toetsen beroerde, hing een jonge draak rond. Na een onstuimig begin leerde ook hij communiceren met de digitale draak. Daarna werden ze vrienden en vermaakten ze zich prima met elkaar. Ze leefden nog lang en leerzaam. Voelden zich tevreden met deze speciale interdimensionale vriendschap. En ook met hun schrijfster. Die nu het laatste woord mag hebben.”

“Gelukkig.”

Op het moment

Mensen zijn rare dieren. We kunnen denken aan het verleden of de toekomst. We kunnen plaatsen en tijden voor ons zien waar we niet zijn. Sommigen kunnen zich zelfs werelden en wezens voorstellen die in onze wereld, op onze aarde, niet bestaan. We hebben een boel verbeelding.
Tegelijk bestaat het vogelbekdier. Een eierleggend, amfibisch zoogdier met een snavel…
Maar daar gaat het nu niet over.

Het gaat om het nu. Nu is zo vluchtig, het is constant aanwezig en meteen weer voorbij. Wie het wel eens probeert, weet hoe veel moeite het kost om met de aandacht te zijn in het huidige moment. Niet naar het verleden of de toekomst af te dwalen.
Vaak ben ik blij met mijn verbeeldingskracht. Die helpt me scènes te schetsen en verhalen te vertellen. Ook geeft ze me het vermogen de verhalen van anderen voor me te zien. Maar als ik me weer eens zorgen maak over wat er zou kunnen gebeuren, of me gekwetst voel door wat iemand heeft gedaan. Als mijn gedachten daar maar niet over op kunnen houden… Dan zou ik dat talent wel eens even op pauze willen zetten. In de het-is-zoals-het-is stand. Me erbij kunnen neerleggen, neerploffen als een hond, of een wolf.

NU probeer ik het al schrijvend. Mijn ogen hebben een starende blik. Ik zie niet helemaal scherp. Mijn aandacht gaat naar binnen. Ik voel mijn ademhaling.
Ik stel me sterke wortels voor. Van donkerbruin hout en met een ruwe schors. Vanuit mijn stuitje en mijn voetzolen groeien ze de aarde in. Heel diep en heel sterk. Hoe wiebelig ik me ook voel, de aardbol geeft me kracht en stabiliteit.
Iets hoger schijnt een kleine zon. Net wat onder mijn ribbenkast. Deze geeft licht en warmte schijnt altijd. Ook als ik het niet zie. Ook als mijn blik vertroebeld is, of als ik vergeet te kijken.
Daar boven klopt mijn hart. Mijn ongelofelijke, onvermoeibare hart. Onstopbaar zo lang ik leef. Altijd vol energie en goede moed. Laat zich door niets en niemand tegenhouden. Ook niet door mijn gepieker.
Ik voel me dankbaar, nu.

Optimist

Een optimist ben ik, om zomaar pen en papier te pakken in de veronderstelling dat ik ga schrijven. Of een leeg document.
Optimistisch is het om alvast te beginnen met de titel Optimist erboven te zetten. Dit moet goed komen.

Inderdaad, de pen danwel cursor beweegt verder en er verschijnen steeds weer nieuwe woorden. Ik heb nog geen idee waar het in de volgende zin over zal gaan. Maar ik ga gewoon door, in het vertrouwen dat het volgende woord komt als ik het de gelegenheid geef. Zoals nu.
Zo makkelijk gaat dat dus, dat schrijven. Het is net als lopen, de ene stap na de andere blijven zetten. Dan kom je ergens.
Kijk maar. In een paar minuten arriveer ik al aan het eind van een optimistisch stukje tekst.

Vlot

Kun je kiezen wat je denkt of voelt? Zoiets heb ik wel eens gehoord. Of dat je kunt kiezen welke gedachten je gelooft. Dat klinkt al haalbaarder. Maar de realiteit. De realiteit is dat ik me vaak een losgeslagen vlot voel. Ik blijf drijven, dat wel, maar ik klots alle kanten op. Vrijwel stuurloos.

Het stormt om me heen. De wereld voelt geregeld als een beangstigende plek. Als de storm me meesleept. De kalme, krachtige kern die ik schijn te hebben, is dan onzichtbaar. Als ik naar binnen keer en die zoek, helpt dat soms, een beetje. Soms vind ik een beetje rust. Dat klinkt positief en dat is het ook, maar het is maar zo’n klein vonkje in de donkere, woelige wereld. Toch?

Dan zie ik de kaart liggen die een goede vriendin me stuurde. In een schemerige wereld staat een figuurtje met een lantaarn glimlachend op een vlot op zee. Een lantaarn met een lichtcirkel eromheen. De zee is kalm met rotseilanden erin. De zon hangt vlak boven het water en strooit zijn stralen tussen de donkere rotsen door de afbeelding in. Een draak omringt het vlot met kronkels overal. Hij heeft een vrolijke blik die op het mensje is gericht.

Ik wil dat mensje zijn.

Vreemdeling

Een vreemde loopt de straat in. Priscilla kent hem niet. Het is een jonge man. Hij draagt een groene broek en een T-shirt met groene, witte en beige horizontale strepen. Misschien woont hij hier in de buurt, maar ze heeft hem nog nooit gezien.
Het kan een vreemdeling zijn. Een persoon die hier niet vandaan komt, uit deze straat, deze wijk, deze stad. Iemand die hier moet zijn, of niet. Hij kan hier mensen kennen, hij kan de weg kwijt zijn. Of hij loopt hier willekeurig rond. Zet de ene voet voor de andere en ziet wel waar hij uitkomt.
Vreemd of niet, hij is hier. Priscilla kent vele gezichten, maar deze heeft ze nog nooit gezien. Nu wel. Hij loopt kalm naar haar toe. Althans, in haar richting. Priscilla staat achter de vitrage voor een raam op de eerste verdieping. Als ze niet beweegt, is ze nauwelijks zichtbaar vanaf de straat, weet ze. Ze beweegt niet. Ze kijkt liever dan dat ze bekeken wordt.
De jongeman loopt nog steeds recht op haar af. Priscilla’s woning staat aan het einde van een doodlopende straat. Het trottoir blokkeert hier de weg door een hoek van 90 graden te maken en keert dan aan de overzijde weer terug. Met tussenpozen wordt haar zicht op de onbekende gehinderd door de bebladerde takken van de bomen langs de straat. Desondanks blijft ze zijn voortbewegen volgen met haar ogen.
Zijn gezicht wordt duidelijker zichtbaar. Het is smal, het heeft ronde jukbeenderen en een puntige kin. De huid is glad. De ene zijkant van zijn hoofd is bedekt met kort geschoren haren, tot een paar centimeter boven de oren. De rest van zijn haar reikt bovenlangs tot aan zijn andere schouder. Deels valt het haar voor zijn ogen, die ook nog eens constant in beweging zijn. De oogkleur kan Priscilla daardoor niet onderscheiden. Ze hoopt dat ze groen zijn. Ze houdt van groen en het zou mooi staan bij zijn broek en de beige-blonde haren.

Recht voor het huis, nog geen meter voor het einde van Priscilla’s tuin, houdt de onbekende stil. Hij kijkt ingespannen om zich heen. Langzaam draait zijn hoofd met daarin, ja toch echt de prachtige groene ogen, rond. Halfrond. De blik speurt de straat, of de huizen, af van rechts naar links. Op zoek naar iets. Priscilla bevriest en houdt haar adem in. Ze heeft de neiging haar ogen te sluiten. Straks ziet hij haar.
Maar misschien is zíj juist wat hij zoekt. En vice versa. Ze zal het nooit weten want hij ziet haar niet. De ogen glijden zonder te pauzeren over de voortuin en voorgevel van haar huis. Wanneer zijn kin boven zijn linkerschouder is gearriveerd, verwijden de groene ogen zich eventjes en stopt de draaibeweging.
De jonge vreemdeling heeft het steegje tussen nummer 12 en nummer 14 ontdekt. Hij draait zich op zijn hielen om en stapt zonder aarzeling die kant op. Dan verdwijnt hij in de schaduwen tussen de beige bakstenen muren.
Priscilla zucht.

Zaterdag

Een dag waarop ik niets wil moeten. Zoals gewoonlijk springen er toch allerlei klusjes op die uit de weg geruimd moeten worden. Aan het begin van de middag ben ik toch even klaar met alles. Een gevoel van onrust blijft hangen. Onze oude poes ligt lekker in de zon op het gras, met naast haar een leeg plekje op de warme tegels. Er glinstert iets, groen-gouden schubben, een lang nekje met stekels en regenboogkleurige ogen. Dan is het plekje weer leeg. Leeg en uitnodigend. Ik ga daar maar even zitten. In het warme zonlicht, naast de slaperige kat. Even haar zachte vacht aaien.

Het is zo’n kat waar iedereen jaloers op is. Ze kan zo maar in de zon gaan liggen, of in de schaduw. Wat ze wil. In de heerlijkste en onmogelijkste lichaamshoudingen. Ontspannen en flexibel. Zij hoeft zich geen zorgen te maken en doet dat dan ook niet. Ze laat zich heerlijk door me kriebelen, en begint zo hard mogelijk te spinnen. Die uiting van haar tevredenheid is mijn beloning. Na een poosje niksen, is mijn spanning weg. Een kat is een uitstekend voorbeeld.

Ik verlang er regelmatig naar me op te rollen als een kat, een wolf, of een draak. Ook al is mijn rug niet zo soepel dat ik een mooi rondje kan vormen, en heb ik geen staart om over mijn korte neus te leggen.
Het komt er niet zo vaak van, om gewoon te liggen dromen zonder slaap. Ik gun mezelf mezelf die rust meestal niet. Er is altijd wel iets te doen. En als ik dan eens tijd heb, ‘moet’ ik van mezelf iets leuks gaan doen, zoals schrijven, of tekenen, of modderen met de planten in de tuin, iets waar ik energie van krijg. Succes niet verzekerd…
De meeste dieren hebben dat probleem niet. Zelfs mieren doen wel eens rustig aan, in hun holletjes onder de grond. Ruach kan in houtkleuren languit op de kast liggen, of opgerold lijkend op een steen in de tuin. Afgezien van de pijn die ik zou krijgen van die houding op de harde grond, lijkt me dat zo heerlijk. Even niets hoeven, even vrede in mijn hoofd, of onverwachte inzichten. Draken schijnen eeuwen stil te kunnen liggen. Zo lang en zo stil dat ze een deel van het landschap worden. Ik heb dat nog nooit zelf gezien, denk ik, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Al realiseer ik me dat dat te lang duurt voor een mens, of een vurige jonge draak.

Inspiratie is een draak

Mijn Ruach. Prachtig, fantasierijk en moeilijk te vangen. Ik wil hem ook niet vangen, mijn inspiratiedraak, niet letterlijk althans. Alleen de woorden die hij oproept. Zijn (meestal) figuurlijke hete adem in mijn nek drijft me voort. Schrijf! Schrijf! Speel de beelden af in je hoofd, laat de woorden stromen. Vertel anderen wat er gebeurt, hier in deze realiteit. Of daar in je fantasie die soms dicht bij de werkelijkheid ligt.

Mijn magische metgezel is nu groot genoeg om me te dragen, als hij wil. Als hij niet wil, is hij klein genoeg om door mij gedragen te worden. Gelukkig draagt hij mij niet meer in zijn klauwen, maar op zijn rug, vlak achter de nek. Hij neemt me mee op verkenningsvluchten. We bedenken waar een volgend avontuur zich kan afspelen. Als dat in Nederland of omstreken is, kunnen we daarbij Google Maps gebruiken. We zoeken een concrete plek uit waar een scène, een hoofdstuk of een kort verhaal zich kan afspelen. Dat kan in Dordrecht zijn bijvoorbeeld, of op de Veluwe, of in Drenthe. We kiezen onze bestemming en daar gaan we.
Ruach spant zijn pootspieren aan en lanceert ons de lucht in. Aaah! Dat was de aanvankelijke schrikreflex, het spannende gevoel in de wildwaterbaan wanneer je bootje over de rand van de afgrond kiepert, maar dan omhoog. Ik ben de controle kwijt, ik moet me overgeven. Vertrouwend op zijn vleugels.
Flap, klap, de vleugels vouwen zich uit en weten wat ze moeten doen. Ze vangen ons op, en tillen ons hoger. We scheren over de daken. Ik zie de toppen van de bomen onder mij. Nu gaat het stijgen te snel om nog details te onderscheiden. Eigenlijk zie ik helemaal niets meer. Mijn ogen tranen en ik moet ze sluiten tegen de wind en mijn haren die me in het gezicht slaan. Misschien is zo’n ouderwetse leren helm een idee voor de volgende keer, met een mooie vliegeniersbril uit het begin van de twintigste eeuw.

Het is de Veluwe geworden. We vliegen gestadig boven het bos bij Ede, de lente is net begonnen. De takken zijn nog kaal, de grond modderkleurig en nat. De zon breekt door en belicht vele kleine, glimmende knoppen aan de bomen. Donkerbruin, lichtbruin, rood en groen. Sommige lopen al uit en daar barsten helder lichtgroene blaadjes uit.
Ruachs maag rommelt als een verre donderbui. Mmm, dat ziet er lekker uit, hoor ik hem denken. Hé, deze draak is een omnivoor. Toch vliegen we verder, nu over de hei waar ik vroeger vaak heb gelopen met de honden van het nabijgelegen asiel. Het voelt heel bijzonder om hier weer te zijn, in levenden lijve, in vlees en bloed… O sorry, krijg je nou nog meer honger?

Zucht, daar sta ik dan in mijn eentje op de Ginkelse Hei. Het schemert en begint te miezeren. De kille, vochtige wind koelt mijn van opwinding gloeiende wangen af. Mijn enthousiasme en ik bekoelen ook. Gelukkig had ik me warm aangekleed voor de vlucht.
Nu mijn fantastische rijdier… Eh, nee als ik hem zo betitel, komt hij wellicht nooit meer terug… Nu mijn fantastische reisgenoot aan het fourageren is, loop ik met mijn laarzen op een zanderig pad tussen de heidestruiken. Hoe kom ik weer thuis? Ik weet niet of Ruach lang weg zal blijven, en of hij daarna nog aan me denkt. Ik zal mijn eigen weg maar proberen te zoeken.
Eerst maar richting Ede, ik ken daar nog wel iemand. Zoals gewoonlijk loop ik met mijn blik schuin naar beneden. Ik kijk waar ik mijn voeten neerzet, zodat ik niet struikel over takken of wortels. Ook houd ik automatisch mijn omgeving in de gaten. Al is er niet veel te zien. De bomen en de struiken worden zwarte silhouetten tegen een donkerblauwe achtergrond. Ik besluit eerst maar in de richting te gaan van de Verlengde Arnhemseweg die de heide doorkruist. Daar haasten koplampen zich voort die me kunnen helpen mijn richting te bepalen. Anders zie ik straks in het donker helemaal niet meer waar ik heen moet. Het licht van mijn mobiel reikt niet zo ver en ik wil de batterij sparen voor als ik mezelf niet kan redden en toch moet bellen voor hulp.

Vlak voor ik de weg bereik, hoor ik het gemekker van schapen en geruis in de lucht. Ruach zal toch geen schaap van de schaapskooi hier gestolen hebben? Een golf van verontwaardiging slaat door me heen, gloeiender dan ik zelf kan produceren. Hij is wel wijzer dan dat, laat hij me weten met dat gevoel. Er is hier wild genoeg. Dat is waar, er kunnen hier zelfs wolven leven.
Ik stop een eindje bij de weg vandaan, op een plek waar geen bomen staan, niet ver van het Airborne Monument. Licht landt de draak op het bruine gras.

Airborne Monument zomer 2018. Foto: Marcel Kerkveld


“Waar was je nou?” denken we eenstemmig. Tegelijk voelen we de opluchting. De opluchting licht het duister even op. Het kan ook een passerende auto zijn geweest. Ruach ziet er voldaan uit. Ik zie mezelf niet, maar na een korte inspectie concludeert mijn metgezel dat ik een koude neus heb, koude handen en zanderige voeten. Als ik die laatste even afklop, mag ik weer mee. Ik stamp en klop, en klim dan weer op zijn schouders. Mijn armen sla ik om zijn hals om weer een beetje op te warmen.

Diep donkerblauw, als een levend stukje nachtlucht schieten we op een paar meter hoogte de weg over. Dan klimmen we boven de hei omhoog voor we de bosrand en de open ruimte oversteken die de A12 gebaand heeft in het bos. Als we hoog genoeg zijn koersen we naar het zuidwesten. De rest van de vlucht gaat als in een droom aan me voorbij. Ik zie bewegende en stilstaande lichtjes onder me door gaan, maar ben er even niet bij met mijn gedachten. Tot we landen op een veld achter de dijk om onze wijk. Ruachs spanwijdte in dit formaat is te groot voor ons achtertuintje met de schuttingen eromheen. Gelukkig ben ik hier bekend, en er is lichtvervuiling genoeg om de weg naar huis te vinden.
We nemen afscheid met goede voornemens. Misschien kunnen we volgende keer wat vroeger vertrekken.
Waarom komt inspiratie zo vaak aan het einde van de dag?

Opvliegers

Hoor ik al geruis van vleugels? De laptop is uit dus Ruach zal het even met mij alleen moeten doen, als hij wil komen.
Daar zie ik een vleugel gevormd als die van een vleermuis, maar dan veel groter. Het ledemaat wordt ver uitgespreid, zodat ik hem eens uitgebreid kan bewonderen. De ‘arm’ en de ‘vingers’ zijn lichtgroen vandaag. Bedekt met glanzende kleine schubben waarop regenboogkleuren glinsteren. De vlieghuid is blauw-paars. Verlopend van blauw aan de kant waar ze aan het groen grenzen naar fel paars in de middens en de vleugelranden. “Mooi Ruach, dat zijn mijn lievelingskleuren.” Hij kijkt me aan met donkerbruine ogen vanuit een mosgroene kop. “Ja, die kleuren vind ik ook mooi. Dos je je zo uit voor mij?” Hij knikt. Ik voel mijn wangen warm worden. Dat gebeurt me wel vaker tegenwoordig, maar dit keer is het geen opvlieger. De draak krijgt me aan het blozen.
“Wat is de gelegenheid, lieverd?” vraag ik hem. Nu bloost hij. Door dat ‘lieverd’ zeker. Ik hou niet zo van rood, maar hem staat dit wel schattig. Het rood blijft hangen maar zijn ogen verkleuren nu naar vurig oranje met gele stipjes. ‘Schattig’ vindt hij blijkbaar niet leuk als beschrijving, haha. Misschien doet hem dat te veel aan donzige puppies en kittens denken. Lief mag wel, toch?
Hij knippert met zijn ogen, ze worden weer bruin. Dan knikt hij. Oké, dat je gevoelig bent voor woorden, wij allebei eigenlijk, is logisch. Als schrijfster en inspiratiedraak. Maar ik vraag me nog steeds af wat nu de gelegenheid is voor de uitdossing.
Hij stoot met zijn neus tegen mijn rechterarm. Een kras door mijn tekst. Dank je, denk ik ironisch. Volhardend tikt hij met een kromme, zwarte nagel op mijn blaadje en wijst vervolgens op mijn pen. Dat is het heuglijke feit. Ik schrijf weer!

Zo zeg. Een Ruach-verhaaltje. Dank je wel jongen! Ik krijg een voorzichtig kopje tegen mijn schrijfarm zodat ik gewoon door kan gaan de inkt enigszins begrijpelijk op het papier te krijgen.
Soms lukt het weken niet, zoals de afgelopen weken, dan weer gaat stromen de woorden ineens soepel. Op deze fijne momenten volg ik de inspiratierivier en denk ik weinig. Alleen ‘volhouden’ bijvoorbeeld, en ik kan de innerlijke, kritische stemmetjes negeren. Inspiratierivier, dat is wel een mooie. Ik wilde het Engelse ‘flow’ vermijden. Dat is zo afgezaagd. Soms is het wel een handig woord om anderen me te laten begrijpen, maar dit is origineler. Inspiratierivier. Die stroomt nu al meer dan vierhonderd woorden lang.

Intussen vraagt Ruach zich af wat opvliegers zijn. Zal ik nu eindelijk met hem mee de lucht in kunnen?